October 20, 2011
Thuis

We schrokken ons een hoedje toen we op vrijdagmiddag, na meer dan vier maanden, opnieuw voor de voordeur stonden. Ter hoogte van ons huis was alles met lint afgezet. Politie overal. En veel toeschouwers natuurlijk. Als een fietser onder de tram sukkelt, dan wil iedereen wel een kijkje komen nemen.

Wij zijn gelukkig wel heelhuids thuis geraakt. De reis zit erop. We hebben ondertussen wat kunnen acclimatiseren, iets wat Ingrid voorlopig beter afgaat dan Stijn. Een ding staat buiten kijf: het weerzien met familie en vrienden is na al die maanden hartverwarmend.

Voor wie geïnteresseerd zou zijn in de praktische afwikkeling van de trip: we hebben vorige week de woonst van onze motorspecialist in Breitenbach, Duitsland al bij al vlot gehaald. Stefan heeft het voertuig duchtig geïnspecteerd en kwam tot de conclusie dat de Suzuki nog in prima staat verkeert. Omdat in het motorblok echter enkele onderdelen versleten bleken (en de beschikbaarheid van die stukken vaak te wensen overlaat) beslisten we om de laatste kilometers naar Antwerpen per huurwagen af te leggen en de motor binnen enkele weken op te halen. Een beetje een thuiskomst in mineur na bijna 19.000 kilometer op de taaie DR…

Al die kilometers hebben ons tal van bijzonder boeiende ontmoetingen opgeleverd, waanzinnig veel natuurpracht en een waaier aan culturen. Het was een aparte ervaring.


En een minstens even aparte ervaring, beste lezer, is uw trouw. Voor onszelf hoefden we immers niet alle verhalen en beelden online te zetten. Maar cijfers van Google Analytics spraken voor zich. Honderden unieke bezoekers hebben de trip oost- en vervolgens westwaarts intensief gevolgd. Merci daarvoor!

Met deze woorden van dank sluiten we Oostwaarts af. Het was een plezier om de pagina’s ervan te mogen vullen. Of er nog een vervolg komt? Wie weet…


- ingrid & stijn -

October 10, 2011
Hannibal

De Egeïsche Zee en een wel heel luidruchtige Griekse peuter hebben ons tijdens de laatste van de drie ferryovertochten stevig in de greep gehouden, maar na 24 uur zetten we ten slotte toch voet aan wal in Ancona. Klein akkefietje nog bijna toen een Italiaanse Harley-man het nodig vond om diep in het ruim van het schip zijn protserige tweewieler in gang te steken terwijl er nog pakweg tweehonderd wagens het schip moesten verlaten. Zo´n Harley maakt een kloteherrie - veel meer dan wat wij noodgedwongen hebben geproduceerd bij de Iraans-Armeense grensovergang; zie eerdere post. Kortom: het was fijn om van die boot af te zijn.

Niet voor lang echter. Al van de eerste Italiaanse meters werd het klaar als boter dat onze versnellingsbak ofwel zwaar aan de tranquillizers zat, dan wel last ondervond van reuma in een extreem ver gevorderd stadium. Heel voorzichtigjes bolden we tot aan de kust bij Ravenna. Dooie boel daar overigens. Het leek alsof hier wel eens een toerist passeert. In de zomer. Maar op 9 oktober 2011 waren wij een van de weinige zielen die hun tent daar opsloegen. Hetgeen ongetwijfeld meer zegt over ons dan over wie er niet was.

In Casal Borsetti was het tijd om een aanvalsstrategie te bedenken. De Alpen en de reuma van onze Suzuki dreigden immers nog roet in het eten te strooien om onze veroveringstocht tot een goed einde te brengen. Aan het euvel van de DR viel niets te beginnen. Die taaie klant had gewoon een nieuwe heup in de vorm van een verse koppeling nodig. Geen zin om daar DHL-gewijs nog een week op te wachten. Logische oplossing: de patiënt veilig tot bij Prof. Dr. S. Heßler (vermaard specialist in het herstellen van motoren-op-leeftijd) te krijgen. Probleem: nog ruwweg 1.000 kilometer tussen Ravenna en Breitenbach (woonplaats van Professor Heßler). We probeerden de optie om een bestelwagen te huren, maar al snel bleek dat internationaal verhuur tussen twee kleine plaatsen niet evident is. Conclusie: onze olifant zou zijn reuma even uit het hoofd moeten zetten.

Meer dan tweeduizend jaar geleden was ene Hannibal Barkas er gelukkig ook in geslaagd om met zijn Carthaagse olifanten de Alpen over te steken. Zij het in de andere richting, naar de Po-vlakte toe. En toegegeven, de tijden waren anders. Wij hadden vandaag geen Galliërs aan nauwe bergpassen te vrezen. Maar ter hoogte van de Brennerpas lag al de eerste sneeuw van deze winter en de temperatuur zat niet ver boven het vriespunt. Niet ideaal op de motor. Reken daar nog eens bij dat elke keer op- of naar beneden schakelen er een te veel was en u weet, beste lezer, dat wij vandaag onze eigen veldtocht afgelegd hebben. Tussen de mist door, koos ik ergens in het Zillertal iets wat op een uitrit leek. Boven de mist vonden we het obligate kerkje . En het Gasthof waar wij nu verblijven en waarvan ik de naam alweer kwijt ben. Morgen wordt het dubbel gevaarlijk: we moeten dan naar “den Duits”. Den Duits waarvan iedere historicus en sportliefhebber weet dat je daarmee nooit klaar bent.

- stijn -

October 5, 2011
Turkije revisited

We zijn lange tijd uit de ether geweest. Dat heeft diverse redenen.

Vergetelheid om te beginnen. Ons kaartlezertje is zoek geraakt en dus werd het uploaden van foto’s plots wel erg moeilijk. Verder is er censuur. In Turkije blijkt het (Amerikaanse) platform dat onze weblog huisvest bijna nergens toegankelijk. Vervelend. Het opladen van een nieuwe post is dus een geknoei van jewelste. Excuses voor de lay-out en het ontbreken van beeldmateriaal.

Maar bovenal was er geen tijd. We hebben gereden - niet gereisd - als bezetenen. Wegens ons Kaukasische ommetje, bleef er plots bitter weinig tijd over om de ferry vanuit het Turkse Çesme naar het Griekse eiland Chios te halen. Het is ons ondertussen gelukt, met ruim een dag overschot zelfs, maar het heeft bloed, zweet en tranen gekost. Vooral tranen en weinig zweet. In Oost-Turkije was het immers bitter, bitter koud.

Onze race tegen de klok begon met een flinke dosis pech. We hadden besloten om de kleinste van de drie grensovergangen tussen Georgië en Turkije te nemen. Langs smalle wegen, door het woeste gebergte. Nadat we pakweg 150 kilometer hadden gereden (ik kan u verzekeren waarde lezer: in de Georgische bergen duurt dat een paar uur) wist een vriendelijke soldaat mij te melden: “Prastitje; granitsa nje otkryta”. Grens dicht dus. Bijna had ik hier de Antwerpse uitdrukking herhaald die ik toen in mijn helm heb gevloekt (iets met een aap in velours), maar dat zou onze totnogtoe nette blog oneer aandoen. Detourtje dan maar.

De rest van de dag reden we met een dubbel gevoel. Het landschap was met woorden niet te bevatten, zo mooi. Dit stuk van onze route - we hebben er nu bijna 17.000 opzitten - was van het meest hemelse waarop we totdantoe getrakteerd zijn geweest. Besneeuwde bergtoppen, azuurblauwe meren, helgroene weiden. Kortom: alles wat niet in de standaard toeristische foldertjes van Turkije staat.


Helaas viel er weinig te genieten. Barkoud dat was. Geen haar op mijn hoofd, voor zover dat dat er überhaupt nog staat of voor zover dat nog tot denken in staat was, dacht eraan om te stoppen voor een foto. Ook daarom kunnen we pixelgewijs dus niets met u delen. Gelukkig voor ons was er her en der de vanzelfsprekende uitnodiging voor een kop thee. Anders zouden mijn vingers waarschijnlijk rond de handgrepen van de motor vastgevroren zijn. Het was stil die avond in ons hotelkamertje te Kars. We hebben gedoucht. Lang gedoucht. En geslapen.

De volgende dagen hoefden we gelukkig geen omwegen meer te maken, maar de koude bleef. Honderden en honderden kilometers reden we door de Noordoost-Turkse hoogvlakten die bijna heel de tijd boven de 2000 meter liggen. Langs Erzurum, overnachten in Erzincan, over Sivas, overnachten in Yozgat, langs Ankara (hoera: het wordt terug warmer), nog een keer slapen in Afyon, over Izmir tot in - driewerf hoera: Çesme!

In dat ontspannen havenstadje aan de Egeïsche kust hebben we ons, mét motor, meteen schaamteloos op de wandelboulevard geparkeerd. Geen reprimandes van de hoeders der wet. Alleen bewonderende blikken van de locals en de gebruikelijke aanbieding om de motor van ons te kopen. Na dat zoveelste aanbod afgewimpeld te hebben - wist de bieder veel dat ons oliecarter lekt, de koppeling geheel versleten is, we dringend een oliewissel moeten doen maar geen filter meer hebben, etc - hebben we in Çesme even een nieuwe standaard van “een terrasje doen” gezet: met z’n tweeën naast elkaar, met zicht op zee, snoet in de zon mijmeren over de ontelbare indrukken die op ons netvlies staan gebrand. Voor het eerst in al die maand als echte toeristen.

Op 6 oktober vertrekken we via Chios naar Pireaus, vlakbij Athene. Hopelijk trekken de Griekse ferrymaatschappijen het nog even en staken ze niet mee. Dan een relatief korte rit door de Pelopponesus. Om vervolgens nog eens het ruime sop te kiezen van Patras naar het Italiaanse Ancona. La dolce vita.

- stijn -

October 5, 2011
Caucasian Cuisine

Op naar de Kaukasus. Geen idee van wat ons daar te wachten zou staan. Laat staan van wat er op ons bord zal komen. Maar na meer dan vijf weken lang kabab in Iran, zijn we op culinair vlak niet bepaald kieskeurig meer. Nieuwsgierig des te meer.

Historische wijn
En het begint al goed. Amper op Armeens grondgebied, zijn we al een fles lokale wijn en Russische vodka rijker. Er is een duidelijk doelpubliek hier, zo vlakbij de grens met Iran. Wanneer we later die avond in het bergdorp Goris een toast uitbrengen op de start van ons Kaukasus-uitstapje, blijk ik in mijn enthousiasme braambessenwijn te hebben gekocht: Zoet en fruitig, maar best lekker.

Enkele dagen later rijden we door de wijnvelden van Areni. Behalve de archeologische vondst van de oudste lederen schoen ter wereld, kan het Armeense Areni ook de oudste wijnmakerij op haar conto schrijven. Eerder dit jaar werden hier de restanten van een druivenpers en fermentatievaten ontdekt van om en bij de zesduizend jaar oud! Vandaag kopen wij de wijn rechtstreeks van de boer langs de kant van de weg. Met een plastiek darmpje wordt een lege colafles op geen tijd gevuld, waarna ons met een knipoog ook nog wat perziken worden toegestopt. Zomaar.

Water en water is twee
De ochtend nadien is er vanaf nu ook weer koffie. Armeense koffie is straffe zwarte koffie, met vaak behoorlijk wat suiker. Na twee koffies zijn we klaar voor stevig haarspeldbochtenwerk. En dat is nodig, de wegen hier bevatten amper rechte stukken en hebben doorgaans een hellingsgraad om u tegen te zeggen.

Het gebergte is rijk aan meerdere minerale bronnen. De aanwezigheid in Jermuk van heetwaterbronnen, met hoog kwalitatief mineraal water dat omwille van zijn specifieke samenstelling geneeskundige eigenschappen wordt toegedicht, zorgde ervoor dat in 1945 de toenmalige Sojietregering van Jermuk één groot sanatorium maakte. Vandaag is Jermuk de merknaam van Armeniës bekendste mineraalwater met natuurlijk koolzuur. Heel lekker, met een specifieke zoute smaak.

Ook Georgië heeft zo zijn water, hoewel het vulkanische Borjomi me iets te speciaal van smaak is. Nadat in de Sovjet-unie Bojromi decennialang als één van de beste mineraalwaters beschouwd werd - het zou ook het favoriete mineraalwater van Poushkin geweest zijn - liet Rusland na het uiteenvallen van de Sovjetstaat weten Bojromi als een onveilig water te beschouwen, een importban als gevolg.

Genoeg geaperitiefd, aan tafel!
De Armeense keuken verrast ons. Net als de wijdverspreide Armeense diaspora, ıs ook de typısche keuken niet onder één noemer te vangen. Libanese, Turkse, Perzische en Russische invloeden zorgen voor een gevarieerde menukaart.

We eten pannenkoekjes met hartige vulling, opgevouwen als een envelopje en gefrituurd. Of Tolmas: met rijst en vlees gevulde kool- of wijnbladeren. Daarbij komt steevast yoghurt met look. Bulgur en tarwekiemen zijn populair. Lekkere Tabouleh in de plaats van witte rijst, is voor ons een welkome afwisseling.

Feestje voor de smaakpapillen
De Armeense keuken scoort goed. Maar de Georgische doet onze smaakpapillen pas echt ontwaken. We beginnen met Badrijani, een koud gerechtje van gebakken plakjes aubergine met daartussen walnotenpasta. Een culinaire ontdekking. Walnoten zijn overigens een veelgebruikt product in de Georgische keuken. Net als champignons en aardappelen. Wat die aardappelen betreft is het momenteel overigens alle hens aan dek. De velden moeten geoogst worden. Dagenlang zien we overal op de bergflanken hele gezinnen met de hand aardappelen opgraven.

Zwaar werk vereist stevige kost. Op elk moment van de dag kunnen we, in het wegrestaurant of gewoon op café, terecht voor een portie Georgische Kachapuri of Khinkali. Dat eerste een kaloriebom van formaat: een soort broodgebak met aardappelen en gesmolten kaas (die kaas erin, erop en erover). De Khinkali zijn al minder aan aanslag op de maag. Het meest lijken ze nog op reuzegrote ravioli, met verschillende hartige vullingen. Je bestelt ze voor een halve euro per stuk. Recht uit het kookwater, worden ze fantasieloos en zonder iets erbij geserveerd. Het ziet er echt niet uit. Maar het smaakt best.

We proberen een aantal Kaukasische specialiteiten, maar ons beider favoriet is zonder aarzelen Ojakhuri. Een gekruid éénpansgerecht met gebakken aardappelen en gebraden stukjes vlees. Het zou prima krachtvoer zijn op een skiverlof. Of nu, na een ijskoude motorrit door de bergen.

En opdat er nog veel toeristen naar Georgië mogen komen
Ook Georgië laat van zich horen als het op wijn aankomt. Dit land was de uitverkoren wijnleverancier van de vroegere Sovjet-unie. Tsinandaliwijn werd geschonken op menig partijbanket, maar ten gevolge van de sterk onderkoelde relatie tussen Rusland en zijn voormalige deelstaat, werd de import van Georgische wijn intussen echter volledig stopgezet. Jammer voor Moskou!

We bezoeken een wijnmakerij in Kvarelli, Oost-Georgië. Best interessant. Maar onze gastheer maakt - net als alle buren - zelf zijn wijn. De druiventrossen werden vorige week geplukt en fermenteren nu in een gigantisch metalen vat waarin hij elke dag met een houten stok gaat roeren. Onderaan het vat een kraantje, en tappen maar! Meer is er voor huiswijn niet aan. De smaak is navenant. Al belet dat onze gastheer niet tijdens het avondmaal zijn glas en dat van Stijn keer op keer weer te vullen. Telkens een uitgebreide nieuwe toost verzinnend, waarna hij het in één teug achterover slaat. We denken even aan de goede fles die we meebrachten van Kvareli, en klinken mee met Giorgi. “Op onze goede terugreis.” … “Op vrede voor iedereen.” … “En opdat er veel toeristen naar Georgië mogen komen.”…

- ingrid -

October 5, 2011
Man van Staal

Het extraatje Kaukasus beviel ons uitermate. Armenië heeft zich van zijn beste kant laten zien. En over Georgië hoorden we alleen maar goeds. Iets wat we na een een kleine week tussen de “ili’s en de adze’s” (net zoals de achternaam van elke Armeniër op “yan” moet eindigen, hebben ook de Georgiërs zich twee unieke suffixen toegeëigend) volmondig kunnen beamen. Ingrid zal vanzelfsprekend op het culinaire aspect terugblikken, maar er is in Georgië meer dan alleen wat pret voor de bourgondiër.

Hoofdstad Tbilisi blijkt een parel van formaat met een rijke geschiedenis, gevarieerde wijken, verkwikkende sulferbaden en een eigentijdse semi-Europese feel. Een absolute aanrader. Rondom Tbilisi heeft ook Georgië net als Armenië zijn deel kloosters, topwijnen uit de Kakheti-regio en stevig uit de kluiten gewassen bergtoppen. En een stuk water. Want in het westen heeft het land een kustlijn van zo’n tweehonderd kilometer Zwarte Zee. Die tot voor kort zelfs een flink stuk langer was.Tot de “opstandige” deelregio Abchazië zich wenste af te scheuren, met steun van Moedertje Rusland. Zelfde scenario in het noorden overigens waar - opnieuw met steun van de Russen - Zuid-Ossetië zich al een tijdlang probeert af te splitsen. Wanneer je dan in aanmerking neemt dat Tsjetsjenië en Dagestan op een steenworp van Georgiës oostgrens liggen, dan hoeft het verder geen betoog dat ons laatste Kaukasus-land een heus kruitvat is dat niet voor de Balkan onderdoet. Daar is vooral ene Josif Vissarionovitsj Dzjugasjvili voor verantwoordelijk geweest. Nog nooit van de man gehoord? Misschien doet de naam Stalin wel een belletje rinkelen. Stalin, een Georgiër van geboorte, gaf zichzelf deze bijnaam in het begin van de jaren twintig toen hij samen met Trotski om de opvolging van de doodzieke Lenin streed.

“De Man van Staal” won het pleit en begon vanaf 1927 de Sovjet-Unie geheel naar zijn hand te zetten. Op meedogenloze wijze. De collectivisatie van de landbouwgronden leidde tot gigantische hongersnood in de jaren voor W.O. II. Vele etnische minderheden werden naar strategische locaties binnen het Sovjet-rijk gedeporteerd; vandaar onder meer de huidige problemen met bijvoorbeeld de bovengenoemde Georgische deelregio’s. Maar bovenaan het lijstje van Stalins misdaden staan - wat mij betreft - de “tsjistki”, de zuiveringen die tussen 1934 en 1938 plaatsvonden. Onder het magische artikel 58 uit de Sovjet-grondwet dat alles wat antrevolutionair was verbood, werden miljoenen leden van de bevolking gearresteerd en vervolgens geëxecuteerd of naar een van de Siberische kampen verbannen (wat bijna altijd gelijk stond met executie). Rijke boeren, schrijvers, politici, musici: kortom iedereen die de paranoïde Stalin of de in wording zijnde persoonsverheerlijking rondom de man in de weg kon staan, werd vakkundig geliquideerd door de NKVD, de geheime veiligheidsdienst.

Maar niets van dat alles in het Stalin-museum in Gori, het geboortedorp van “het Briljante genie van de mensheid”, “de Vader der naties” of “de Hoeder van het menselijke geluk”. Alles in het gebouw straalt Sovjet-stijl en een ronduit lachwekkende persoonsverheerlijking uit. Te beginnen bij de dame aan de ticketbalie. Die leek zich nog in het midden van vorige eeuw te wanen. Het gebouw zelf, met grauwe kleuren en het ontbreken van enige architectonische inspiratie, past ook geheel in het plaatje. De “dezjurnaja”, de dame die de deur moet open doen van Stalins geboortehuis en de trein waarin hij in 1945 naar de Krim reed om met Churchill en Roosevelt de Jalta-akkoorden te ondertekenen, geeft ons met haar norse tronie helemaal het gevoel om in Stalins dictatuur te zijn beland.


Wat we vervolgens te zien krijgen, zijn zalen vol foto’s en kaarten waar de diverse glorieuze episodes uit het leven van “de Vader des vaderlands” worden belicht. In het Georgisch en het Russisch. Ik speel dus even instant-gids voor Ingrid en leidt haar door Stalins jeugd, het ontwaken van zijn revolutionaire bewustzijn, zijn ballingschappen naar Siberië voorafgaand aan de revolutie van 1917 (dáár heeft hij dus de mosterd gehaald), zijn rol in de oorlog met Polen en ten slotte het ogenblik waarop hij eind jaren 1920 almachtig wordt. Hij bewerkstelligt in zijn eentje de industrialisatie van het rijk en zorgt er zo voor dat zijn land een wereldmacht wordt, leert zijn volk lezen en loodst de Sovjet-Unie succesvol door W.O. II. Meer nog: Stalin verslaat eigenhandig de Asmogendheden en vermijdt zo de suprematie van Hitler.

Zelden zo’n ongenuanceerde tentoonstelling gezien. Maar onderhoudend was het wel.

- stijn

September 25, 2011
Hoe een land lijden kan

We laten de wijnvelden van Centraal-Armenië voor wat ze zijn. De hoofdstad Jerevan wenkt. Een waar geluk dat de afstanden tussen steden en dorpen hier relatief klein zijn want de wegeninfrastructuur laat werkelijk te wensen over. Ingrid wipt elke vijfhonderd meter ter hoogte van mijn nek, iets wat normaal niet de bedoeling is als je achterop een motor zit.

Met meer dan een miljoen inwoners herbergt Jerevan ongeveer een derde van de totale bevolking van het land. De meeste Armeniërs wonen echter in het buitenland. De Armeense diaspora is naar schatting vijf miljoen stuks groot. Bekende voorbeelden zijn actrice/zangeres Cher, zanger Charles Aznavour, cineast Atom Egoyan, tennisser Andre Agassi en schaakgrootmeester Gary Kasparov. In Jerevan ogen de straten luchtig, de gebouwen bijzonder nieuw, het verkeer relatief beschaafd. Wel veel politie op straat. Vele straten zijn afgezet. Aan de rand van de stad bel ik een nummer dat ik via-via wist te bemachtigen. Sianna neemt op en laat me weten dat we zeer welkom zijn. Een uur later arriveren we bij een groot en saai appartmentsblok dat vanop een heuvel uitkijkt op het centrum van de stad. Een grote Sovjet-televisietoren is vlakbij neergepoot. Sianna waait naar ons vanop de zevende verdieping. Ene Sergej stapt uit de lift en begroet ons. Kort daarop zit ik bittere Armeense koffie te drinken.

Feest!
“Sivodnja praazdnik. Ne znali? Djenj nezavisimosti! Budjet fejerverk v tsentrje!” Daarom natuurlijk al die politiewagens. Groot feest vandaag: Armenië viert de twintigste verjaardag van zijn onafhankelijkheid van de Sovjetunie. ‘s Avonds zien we honderdduizenden uitgelaten burgers drinken, dansen en met oranje-rood-blauwe vlagjes zwaaien. Met recht en reden: het land heeft een bijzonder zware twintigste eeuw gekend en pas de laatste jaren lijkt het een beetje de goede kant uit te gaan..

De genocide
Ten tijde van WO I werd de Armeense bevolking immers het slachtoffer van de eerste grote genocide uit de moderne geschiedenis. Op 24 april 1915 werden in Constantinopel een 250-tal vooraanstaande Armeense intellectuelen en kunstenaars opgepakt, het echte begin (de voorgaande decennia waren er ook al pogroms geweest) van een meer dan drie jaar durende georchestreerde actie van het Ottomaanse rijk om zijn Christelijke Armeense onderdanen uit te roeien en uit het land te verjagen. Zoals over zo veel aspecten van deze bijzonder tragische episode uit de Armeense geschiedenis, is er geen consensus over het aantal doden. De huidige Turkse regering houdt het bij een half miljoen; de Armeniërs spreken van het driedubbele. Onenigheid over de juiste interpetatie van historici over de gebeurtenissen tussen 1915 en 1918 zorgt ervoor dat de grens tussen Armenië en Turkije nog steeds potdicht is.

Wanneer Ingrid en ik na de feestdag, op de heuvel Tsitsernakaberd, het genocidemuseum en het gedenkteken bezoeken, merk ik dat de precieze details me koud laten. De getuigenverslagen en foto’s van journalisten, diplomaten en reddingswerkers spreken voor zich. Dit volk is onnoemelijk veel leed aangedaan, op een barbaarse wijze. Buiten steekt de toren van het memoriaal erg mooi af tegen de skyline van de jonge hoofdstad. Het najaarszonnetje schijnt heerlijk. Maar we zijn beiden erg stil nadat we ons enkele uren verdiept hebben in een genocideverhaal dat velen van ons beduidend minder gekend is dan dat van bijvoorbeeld de Joodse, Rwandese of Bosnische (moslim) bevolking.

Eén glaasje
‘s Avonds laat komt onze drieënveertigjarige gastvrouw gniffelend binnengewandeld. “Odin stakan vypyla - bolsje nety!”, zegt ze. “Geen probleem”, zeg ik, “wij drinken ook wel eens een glaasje”. Van Sergej deze keer geen sprake. En van Sianna’s zeventienjarige dochter Anosjik evenmin. Die blijkt nog de bloemetjes aan het buiten zetten te zijn in het centrum. Van Sianna en Sergej denk ik dat ze een soort van LAT-relatie hebben, maar veel wil ik er niet over vragen. Die Sergej is overigens de vriendelijkheid zelve, maar toch heb ik wat schrik van de man. “Ja master”, vertrouwde hij me toe. En laat vervolgens zijn handen zien. Geen twijfel dat hij vrachtwagenmechanicus is. Handen als kolenschoppen en vingers met een diameter dubbele zo dik als de mijne! Als bewijs moet ik een van zijn gouden ringen aan een vinger laten bengelen. Ongezien.

Maar wanneer Sianna licht aangeschoten binnenwandelt, is ze even alleen en zet zich bij ons op de kamer. Het geprek neemt een gebruikelijke wending: Waarom reizen jullie naar Armenië? Kost dat niet veel? Verliezen jullie dan jullie werk niet? In België is het goed wonen, zeker? Vervolgens volgt een rondje prijzen vergelijken. Waaruit Sianna concludeert dat België nog veel duurder is dan Armenië. Gelukkig vraagt ze niet naar lonen. Als we zulke vraag krijgen, antwoorden we doorgaans eerlijk. Maar vaak is het ook pijnlijk om je gesprekspartner te moeten vertellen dat je vijf tot tien keer meer verdient dan hem of haar.

Nagorno-Karabach
Het wordt laat. “Waar gaan jullie hierna heen”, vraagt Sianna nog. Naar Georgië uiteraard. De grens met de andere buurlanden is dicht. “Dus jullie gaan niet naar Azerbeidzjan? Ik heb geen problemen met de Azeri ‘s, hoor. Alleen jammer dat ze vroeger soms leugens over ons verspreidden.” Sianna verwijst duidelijk naar een andere traumatische passage uit de recente Armeense geschiedenis: de oorlog rond de Armeense enclave Nagorno-Karabach die tussen 1988 en 1994 plaatsvond. Dat conflict heeft zijn wortels in een onbegrijpelijke beslissing ten tijde van het ontstaan van de Sovjetstaat, waarbij het overwegend Armeense (en Christelijke) Karabach bij de (overwegend moslim-) deelstaat Azerbeidzjan werd ingedeeld. Toen in 1988 de greep van Moskou begon te tanen, waren alle ingrediënten daar voor een typisch potje burgeroorlog zonder winnaars. Sinds 1994 is Karabach de facto Armeens grondgebied, maar internationaal is dat nog lang niet algemeen erkend. De situatie is er nog steeds gespannen. Een oplossing voor het conflict nog ver zoek.


Sianna haalt haar schouders op. “Spakojny notsji”, zegt ze. “Jij ook goede nacht”, antwoord ik. En ik besef alweer hoeveel geluk ik heb te mogen wonen waar ik woon. Een genocide, meer dan zestig jaar Sovjet-overheersing en nog een burgeroorlog. Beetje veel van het goede op een eeuw…

- stijn -

September 21, 2011
WK “Vriendelijkste volk ter wereld”

Eigenlijk moest deze post gaan over het waanzinnige verkeer in Iran. Mijn trouwe copilote maakte daarvan immers een reeks rauwe opnames. Na een rumoerige redactievergadering werd evenwel beslist het schokkende beeldmateriaal voorlopig niet te publiceren. Bepaalde moeders zouden na het bekijken van de betreffende post namelijk aan de hartmonitor moeten. Geen nood echter. U krijgt vandaag een bijzonder uitgebreid verslag van het WK “Vriendelijkste volk ter wereld”! Neem even de tijd.

Een Duitser met ideeën..
.
Eerst wat extra inleiding. Ruim een maand geleden werden we in Qazvin getrakteerd op een portie Iraanse gastvrijheid zonder weerga. Ondertussen hielden we per sms contact met onze weldoeners. Toen Kiana en Roozbeh er lucht van kregen dat we opnieuw in de buurt waren, moesten we zonder tegenspraak opnieuw langskomen voor een motoronderhoudsbeurt annex bijpraatsessie. Deze keer bleken we echter niet alleen te zijn. Joseph, een Duitser uit de buurt van Freiburg, was met zijn KTM (een stuk 950 cc dat ruwweg vijf maal meer waard is dan onze bejaarde Japanse krijger) ook in Qazvin gestrand. Nadat we al zijn ellende zagen met zo’n specimen toptechnologie uit Oostenrijk, waren we plots weer helemaal overtuigd van onze keuze voor de Suzuki. Iets wat Joseph eigenlijk alleen maar kon beamen. Joseph, een vliegtuigtechnicus die zijn job bij Lufthansa spuugzat was, heeft Australië als eindbestemming. Pittig.

Maar zijn trip loopt niet over rozen. Zijn reisgezellin bleef halverwege in Turkije ter plaatse trappelen om wat geld bij te verdienen, zijn motor liet het in Iran helemaal afweten én de Duitse overheid weigert zijn burgers een visum voor Pakistan te verlenen. Joseph liet zich, tussen al dat reisleed in, wel ontvallen dat zijn passage door Georgië en Armenië vlekkeloos was verlopen. “Mmmm. Geen massa’s papierwerk?” vroeg ik. “Niks”, zei Joseph. “Gewoon een visum aan de grens. En rijden maar”. Onze nieuwsgierigheid was meteen gewekt. Een half uur later veranderde die nieuwsgierigheid in een nieuwe reiswending. De Kaukasus wenkte. Zonder kaart. Zonder reisgids. Maar met bakken goesting. Twee dagen later was het dan zo ver. ‘s Ochtends hadden we Tabriz verlaten om, door het gebergte in de provincie West-Azerbaijdan, de Iraans-Armeense grens in Norduz over te steken. Het landschap was nog maar eens betoverend, de mensen deden nog een laatste poging om Iran de wereldtitel “Vriendelijkste volk ter wereld” te schenken.


Iran onbedreigd naar de titel

Dat wereldkampioenschap loopt ondertussen al enkele jaren. De Afrikanen toonden zich zeer wisselvallig door momenten van onbegrensd altruïsme, afgewisseld met diverse acties van platvloerse afzetterij. Het daaropvolgende jaar veegden de nederige Lao met hun constante hoffelijkheid regelrecht de vloer aan met hun tegenstanders uit zwart Afrika. De verrassing kwam vervolgens uit Zuid-Amerika waar de Colombiaanse armada zich spelenderwijs onder luide salsa en vallenato samen met de Lao aan de kop van de rangschikking hees. Tot de Perzen aan zet kwamen. Bijna anderhalve maand wisten ze Ingrid en ik elke dag opnieuw te imponeren met oprechte gastvrijheid en vriendelijkheid. Op de laatste dag Iran kregen we mogelijk nog de meest sublieme actie van het toernooi voorgeschoteld. Een wildvreemde man in Tabriz die ons zomaar, zonder reden, een volledige tank benzine cadeau deed. Stel u even voor: u staat aan een tankstation (ik zeg maar wat - de Esso tussen het vroegere Crest Hotel en de Vogelenzang), treft daar twee verloren Iraniërs aan en besluit vervolgens naar de pompbediende te stappen en de vijfentwintig euro van dat Perzische duo voor uw rekening te nemen. Begrijpt u? Iran, wereldkampioen! Of toch bijna. De waanzinnige voorsprong die de Perzen de afgelopen weken hadden uitgebouwd, werd bij de grensovergang in Narduz bijna door diskwalificatie teniet gedaan. Mijn vrouw annex lijnrechter, bijzonder uitgekiend in het afhandelen van praktisch werk, ging snel even het grensvarkentje wassen terwijl ik uitrustte van de zware ochtendrit door het gebergte. In het gebouw van de voertuigen. Naar dat van de paspoorten. Naar dat van de voertuigen. Naar dat van de paspoorten. “Ben je streepjes aan het zetten?” riep ze. Tot Reza van de voertuigen plots genoeg had van die vaudeville en naar Reza van de paspoorten belde om laatstgenoemde duidelijk te maken dat WIJ eerst het land uit moesten en DAN pas de motor. Gelukkig nog net binnen de tijd, maar deze flauwe vertoning kwam Iran in extremis nog op min zeven te staan.

Gênante start van de nieuwkomers

Nu was Armenië aan de beurt. De strategie van de Armeense coach was duidelijk: eerst de zwakste teamleden inzetten om dan hopelijk een forse eindsprint in huis te hebben. Helaas. De eerste Armeniër, een douanebeambte, bleek dit wereldkampioenschap onwaardig: “Pasporty!”, snauwde hij. Gedecideerd, de stricte regels van het spel respecterend, probeerde ik nog: “Pazjaalste? (Alstublieft?)”. De man bleek evenwel gespeend van elk talent: “Tuda! (Daarheen!)”, een forse hoofdknik naar het volgende gebouw gevend. In gedachten zag ik de Armeense coach al met de handen in het haar zitten. Al meteen op min zes na de eerste beurt! De pret kon bij de Iraniërs niet op. Hoe in godsnaam de kloof met de zuiderburen enigszins dichten?

Galja werd van de reservebank gehaald om het onderdeel ‘visumverstrekken’ voor haar rekening te nemen. Een ramp! Ik wilde alleen maar eventjes de officiële prijzen van het visum (transit, 21 dagen of drie maanden) overlopen. Galja ging de mist in: eerste krijste ze vanalles in het Farsi - tot een vriendelijke Iraniër (plus twee punt negen in blessuretijd) - haar duidelijk maakte dat ik geen Iraniër, maar scheidsrechter was. Galja nam haar herkansing niet in dank af: “Sit down!” brulde ze tegen mij. Ingrid was ondertussen van uniform gewisseld en liet haar hoofddoek voor wat die was. Eerste punt voor de Armeniërs, een binnenkoppertje. Het was alsof Galja wakker was geschrokken door die toevalstreffer. Een kwartier later reikte ze ons met de eerste Armeense glimlach het visum aan en verwees ons meteen door naar het volgende kot.

Daar ging het er vriendelijk aan toe, maar de twee dames deden duidelijk veel te lang over hun kuur. Hun coach greep onmiddellijk in en probeerde de scheve situatie nog recht te trekken door een mannelijke collega van de bank te halen die me doodleuk vroeg van wie het gezicht in hologram op pagina zeventien van mijn paspoort was. Ik antwoordde dat op pagina eenendertig de Antwerpse kathedraal stond. Dat die 123 meter hoog is. En ik bijgevolg een punt drieëntwintig zou aftrekken voor zulke stupide opmerking. Seconden later waren mijn lijnrechter en ik het land binnen, stond Armenië op een ronduit hopeloze achterstand, en was het tijd voor het onderdeel “motorinklaring”.

Snel een-tweetje
De Armeense teamleider zag de bui al hangen en stuurde twee frisse spitsen het veld op met duidelijke instructies: “Alleen het resultaat telt, de schoonheid van jullie acties is van ondergeschikt belang, pak de tegenstander in snelheid. En probeer de scheids te paaien.” Spits nummer een gebaarde me in net Russisch om voor de verandering met de motor niet rond maar - u leest het goed - recht door het gebouw te rijden. De soldaat op wacht, die normaal nooit aan spelen toekomt, mocht de dubbele deur voor me openen zodat ik de motor door de wachthal voor een meute verbouwereerde Iraniërs tot bij de scanner kon rijden. Beeld u zich maar even in hoeveel lawaai onze eencilinder in die zes meter hoge hal wist te produceren. Conform de regels gaf ik de spits een plus drie (hoogste coëfficiënt voor snelheid van uitvoering), waarop prompt een dubbele klacht van de Iraanse bond volgde. De eerste voor frauduleus gedrag. Tijdens een WK “Vriendelijkste volk ter wereld” is het vanzelfsprekend niet toegestaan meer dan honderdtwintig decibel in de arena te produceren. De tweede voor het schofferen van de tegenstander: drie vrouwelijke Iraanse teamleden verloren nagenoeg hun hoofddoek wegens luchtverplaatsing van de uitlaat bij de roekeloze een-twee van de Armeniërs. De WK-organisatie gaf gevolg aan de grieven van de Perzische bond en trok nog eens de volle vijf punten van het ondertussen desastreuze Armeense totaal af. En alsof dat niet genoeg was, vergat spits nummer twee ons een document te overhandigen waarop duidelijk staat te lezen dat de motor legaal het land werd binnengebracht. Afwachten of dit voor zijn team gevolgen zal hebben. Maar als bij de volgende grensovergang, naar Georgië, blijkt dat de refs het land niet binnen mogen wegens het ontbreken van een geldig motorpapier, dan zijn de regels onverbiddelijk: Armenië wordt in dat geval onmiddellijk geschrapt en zal niet langer kans maken op de wereldtitel.


Succesvolle trainerswissel
De Armeense bond zat na al dat fraais ondertussen met de broek op de knieën en kon niet anders dan de flaterende coach aan de deur zetten. Een onbekende naam (ongetwijfeld eindigend op “-an”, want elke Armeniër heet zo) werd aan het roer gezet en die geniale zet wierp snel vruchten af. De nieuwe verantwoordelijke trakteerde het scheidsrechtersduo na de pijnlijke grensovergang op een prachtig berglandschap. Hij was bovendien zo creatief om daar flink wat wolken aan toe te voegen, iets waar zijn Iraanse evenknie in geen weken aan had gedacht. En daar hield het niet bij op. Het weer werd plots koeler. De wegen nog steiler dan in Iran. Het aantal haarspeldbochten ontelbaar. Jammer van de staat van de wegen, vergeleken waarbij minister Crevits prompt tot Miss Asfalt zou worden gebombardeerd. En ondanks de typische, verpauperde oostblokblokken (schrijf je dat zo?), konden de arbiters niet anders dan gecharmeerd zijn door meterslange kleurige wasdraden die de flankspelers voor elk appartementsraam haden gespannen. Vijf punt extra en het leek zowaar of de Armeense equipe van een totale afgang gespaard zou blijven door minstens boven nul te eindigen. Armeniës pas aangestelde roerganger wilde meer. En begon vuile trucs boven te halen.

Vals spel?
“Truken van de foor”, zeg maar. “Truken van luie Sjarel”! In het eerste stadje die naam waardig vond Ingrid na een halve minuut zoeken al een geldautomaat die van bij de eerste poging met een simpele Maestro-kaart een hoopje Dram (de Armeense munteenheid) uitspuwde. Het contrast met de zwakke prestatie van de voorlopige koplopers (alleen cash geld Iran binnenbrengen; geen bankkaarten!) gebood ons om hen alsnog op een vier min te trakteren. Beteuterde gezichten daar. Wat hun noorderburen aanspoorde om nog een versnelling hoger te schakelen: her en der speelden kinderen vrolijk in het rond en soms schalde er zowaar muziek uit luidsprekers van de - weliswaar bijzonder schrale - cafeetjes.

Waarmee we natuurlijk zijn aanbeland bij een van de meest laag-bij-de-grondse acties die een deelnemer in de rijke geschiedenis van dit WK ten berde wist te brengen. Nadat de Iraanse ploeg tijdens elk van haar onderdelen steevast had geweigerd om de scheidsrechters ook maar een enkele druppel alcohol aan te bieden, kwam Armenië met winkels én bars op de proppen die in een handomdraai en geen geld eigen witte en rode wijn wisten aan te bieden, evenals de befaamde Armeense “konjak”, een rijk scala een topvodka uit Rusland en pittig bitter Ararat-bier, genaamd naar de gelijknamige berg op de grens met aartsvijand Turkije. Ingrid gaf hoofdschuddend aan het niet eens te zijn met mij, maar instinctmatig gaf ik de Armeniërs een overdreven twaalf cadeau. Uitzinnige vreugde daar natuurlijk.

Clash van stijlen
Dat brengt me natuurlijk bij de speelstijl van Armenië. Die staat werkelijk haaks op die van de mannen van Khamenei. Laatstgenoemden spelen uiterst defensief en houden vast aan een uitgepuurde versie van de Islam. Armenië op zijn beurt claimt de bakermat van het Christendom te zijn - getuige daarvan een eeuwenoud klooster op elke hoek van de straat - en vertaalt dat in zijn spel door vooral de lusten en niet de lasten te implementeren. Op een diefje sprokkelde deze nieuwkomer een tien door Ingrid een bijzonder lekkere shaslik van varkensvlees met koriander aan te bieden.


Afwachten
Ondanks een ronduit desastreus begin, heeft deze eerste kandidaat uit de Kaukasus zich wonderwel hersteld. Gisteren werden we in de bergstad Goris voor een habbekrats supercomfortabel te slapen gelegd onder het wakende oog van moeder Maria en het kindeke Jezus. De hele commune kwam met ons praten, gieren en joelen. Zeventig procent daarvan bleek uit parmantige vrouwen te bestaan. Een zotte kip begon zelfs spontaan op haar vergiet te trommelen. Weer bonuspunten voor het verrassende Armenië. Die in een handomdraai weer van de tabellen werden geveegd toen de ladderzatte echtgenoot van de zotte kip tegen de hoofdscheids begon te zeveren.

Geheel objectief kan die laatste overigens niet zijn. Het zijn vaak die subtiele kleinigheden die mee het verschil maken. Bijna elke Armeense speler ouder dan dertig spreekt een goed mondje Russisch; dat speelt onbewust mee in de besluitvorming. Vaak werd een aalvlugge actie van een Iraniër teniet gedaan door een volhardend en voor de ref nietszeggend gebrabbel in het Farsi.

Afsluitend gesteld: het hoeft geen betoog dat Iran met vlag en wimpel favoriet is om de trofee naar Teheran te halen en daar voor vele jaren te houden. Armenië heeft - overeenkomstig de spelregels die bepalen dat een land ongeveer evenveel dagen krijgt als zijn oppervlakte - niet veel tijd meer. Het land zit in de weinig benijdenswaardige positie om over nagenoeg evenveel vierkante kilometer te beschikken als België. Eens aan de collega-scheidsrechters vragen hoe dat ploegje het trouwens doet…


Uw reporter/scheids. Uit Yegednadzor, Armenië.

- stijn -

September 20, 2011
Op het matje in Iran

Warm en koud
Vijf weken door Iran. Tijd genoeg om op menig tapijt plaats te nemen. Met hoge verwachtingen. Vooraf las ik immers dat achter de Perzische keuken een filosofie schuilt. Aan alle voedingsproducten worden koude of warme eigenschappen toegedicht. Deze hebben dan niets met de temperatuur van serveren te maken, maar alles met hun vermeende invloed op het lichaam en het metabolisme. Gerechten worden gebalanceerd samengesteld zodat “warm” en “koud” in evenwicht zijn. Ook personen zijn van nature eerder “koud” of “warm”. Door de juiste voedingswaren te eten, kunnen we ons innerlijke evenwicht bewaren of herstellen. Met die filosofie, alsook de verfijndheid van de Perzische cultuur, de bouwwerken en de tapijten in het achterhoofd, was ik enorm nieuwsgierig naar wat me op het tapijt zou voorgeschoteld worden.


Wrap met wortelconfituur
Het ontbijt bestaat steevast uit brood met een witte natte kaas of confituur. Die laatste maken ze van wortelen (jaja) of rozen (y
ep). De broden zijn in niets te vergelijken met ons brood. Ze variëren van een dunne wrap tot een knapperige pizzabodem. Erg lekker als ze vers gebakken zijn, maar eerder taai als ze uit een doorschijnend plastiek zakje tevoorschijn getoverd worden. Wat veelal het geval is.


de warme bakker

Toile Cirée

Op het tapijt wordt eerst een - wat mijn groetmoeder een “Toile Cirée” genoemd zou hebben - uitgespreid. Dat is de tafel. Je bord hoort hierop en niet op het tapijt. Een mes krijgen we hier niet te zien: eten doen we in Iran altijd met lepel en vork. Niet zo handig bij het eten van een stuk vlees. Dat lams- of kippenvlees verschijnt meestal in de vrom van
kabab, zeg maar gegrilde saté. Het populaire orgaanvlees, vooral hersenen en lever, laten we aan ons voorbijgaan.

Kabab

De
kabab dus. Die eet je met brood of met een hoop - echt wel een HOOP - witte rijst. De fijne langekorrelrijst, gekweekt in een van de vele Iraanse rijstvelden die het land rijk is, is best lekker. Zeker wanneer die afgewerkt wordt met gedroogde, geweekte zuurbessen. Bij de kabab horen ook groenten. Meer bepaald een halve rauwe ui die je zelf laag per laag mag zitten afpellen, en een halve tomaat die zo lang naast de kabab op de grill heeft doorgebracht tot ze zwart geblakerd is. Geen winner.

Behalve de groenten krijgen we ook steevast een bordje “groen”: verse kruiden zoals heilig basilicum, peterselie of dille worden niet in de gerechten verwerkt, maar worden er apart en plukvers bij geserveerd. Zo knabbel ik bij mijn kabab lustig op wat citroenkruid. En dat is nodig want de gerechten zijn zelden met iets anders dan wat zout of zurig granaatappelpoeder gekruid.


Een geruststelling is het wel, die kabab. Na een lange rijdag hebben we altijd een vast baken in weer-maar-eens-een-nieuwe-en-onbekende-plek. Je kan hier meerdere dagen reizen om dan tweeduizend kilometer verderop, exact dezelfde kabab voor je neus te zien verschijnen. Uiteraard vergezeld van de rauwe ui en de tomaat.

Fesenjun of Badenjan

Behalve de kabab proberen we ook de traditionele gerechten. Standaard is de
Khorest, een stoofpot van vlees met linzen of groene kruiden. Fesenjun kan me meer bekoren: kip of vlees in een saus van granaatappelpasta en gemalen walnoten. Lekker met een zure frisse toets. Ook Badenjan, een stoofpotje van aubergine, is een welkome afwisseling tussen alle kabab.

Stoofpotje Kameel

In de woestijn eten we samen met onze gastfamilie.


op het tapijt bij de familie van Rohab

Behalve brood en bergen witte rijst, staat er ook stoofpot van kameel of van geit op het menu. Of koude gevulde aubergines op azijn, yoghurt, watermeloen en zonnebloempitten. In de oase hangen de dadels in dikke rijpe trossen aan de palmen. We plukken ze en eten ze gewoon “van de boom”. Een resem variëteiten, elk met een specifieke smaak. Ook de granaatappels hangen voor het grijpen. Granaatappelsap vind je overal.


verse granaatappels

Voor de oogst van de pistachenoten is het nog wat vroeg, al tref je de geroosterde en op smaak gebrachte noten het hele jaar rond in enorme hoeveelheden aan in de bazaars.


wilde “pistachios”

Dorst bij 42 graden

We waren in Turkije al helemaal gewonnen voor het concept “theedrinken in een moordende hitte”. Wanneer we kamperen, maken we zelf ook al thee. In Iran wordt er, net zoals bij zijn westerbuur, duchtig thee geslurpt. Overal waar mensen zijn, staat altijd een potje thee te pruttelen. Suiker hoort er bij die thee. Die koop je in de vorm van een grote dikke suikerpilaar, die je stukslaat in iets wat op klontjes gelijkt. Zo’n klontje gaat niet in je tas thee, maar steek je tussen je tanden waarna je de thee erdoorheen slurpt.


een emmer vol suikerpilaren

Behalve thee is er, als overal ter wereld, ook cola. Coca-cola wordt gebotteld in Teheran. De blikjes doen verre jeugdherinneringen naar boven komen: het zijn er met een aftrekbaar metalen lipje. Stevige concurrentie wel: niet enkel van Pepsi, maar ook van ZamZam en Parsicola. Best te drinken overigens, die ZamZam.


Coca-cola Zero, in een blikje-met-een-lipje

Een rum-cola kunnen we echter op onze buik schrijven. Alcohol is bij wet verboden. Al bestaat er uiteraard een zwarte markt, het is zodanig verdoken dat wij er nog geen druppel van zagen. Toch vraagt men ons geregeld “You want a cold beer?” En ja, Stijn zuipt hier als een tempelier! “Islamic Beer” welteverstaan. In het beste geval is dat een ingevoerde alcoholvrije Bavaria. Maar ook de Iraanse 0%-maltbrouwsels met limoen of tropicaltoets zijn de revue gepasseerd. Geen troost dus bij aankomst na een lange, hete en stoffige motorrit.


Qalyan

Na het eten is er de Qalyan, de Iraanse waterpijp. Met sinaasappel of appelsmaak. De “Qalyanbatterij” noemen we ze al lachend: langwerpige lokalen, badend in een zee van neonlicht, waar een resem mannen schouder aan schouder op een lange rij naast elkaar ieder aan zijn qalyan zit te lurken. Er wordt niet veel gepraat, laat staan gelachen. Ieder komt er gewoon een beetje aan de waterpijp hangen. Vrouwen niet toegelaten, wat dacht je nu? Die horen in de “family-zone” van het theehuis, als die al bestaat.

Kookworkshop
In ons hotel in Yazd wordt reclame gemaakt voor het volgen van een Iraanse kook-workshop. Na vijf weken kabab op een spies, rauwe ui en geblakerde tomaat, voel ik me niet meteen geroepen. Al had het vast een heel andere ervaring geweest dan de klassieke scholing van de PIVA :-).

- ingrid -

September 19, 2011

Kashan, Iran.

September 18, 2011

Esfahan (vervolg), Iran.

Liked posts on Tumblr: More liked posts »